Naar Remigius

Herman Leenders

Naar Remigius

Vroeger waren het grootouders, groottantes
Dan nonkels, moeders, vaders
Nu wij: wees, weduwe, weduwnaar

Altijd minder broers
Altijd minder zussen
Zodat wij slobberen in ons vel

Wij waren bakker, wever, timmerman
Landsman, stikster, duivenmelker
Wij hadden macht, verstand, kloten, geld

Bouwden en wrochten
Koersten, dronken
Werden begeerd, omarmd, hadden lief

Wij hebben de tijd gedood
En de tijd die wij fêteerden
Doodde ons

Zoals later veraf lijkt
Zo onvoorstelbaar
Alsof het gisteren was